Wat is mooier dan taal zonder geluid

Op NRC.nl las ik onderstaand artikel. Interessant! 

Zelfbewuste doven zien zichzelf als een culturele minderheid met een eigen taal, humor en identiteit. Wordt dat anders nu veel doven dankzij een implantaat ‘slechthorend’ worden?

Door Brigit Kooijman Illustratie Bart Koolen

‘Voor wie is de kersenvlaai?” Beeldend kunstenaar Jascha Blume (27) steekt zijn hand op. Hij kan de ober niet zien, die staat achter hem. En horen kan hij hem ook niet, want hij is doof. Kwestie van anticiperen, zegt hij. „Jullie hebben je bestelling al gehad, ik wacht nog op mijn kersenvlaai en voel het moment aan waarop de ober gaat vragen voor wie die is.”

Samen met zijn vriend Bart Koolen (30, grafisch ontwerper) en tolk Yvonne Jobse zitten we in het restaurant van het Van Abbemuseum in Eindhoven, waar Blume zojuist zijn maandelijkse rondleiding in Nederlandse Gebarentaal (NGT) heeft gegeven. Doofheid is geen handicap, zeggen zij, het is alleen soms lastig in de communicatie met horenden. Als er geen horende mensen bestonden, of als alle kinderen vanaf de geboorte gebarentaal zouden leren, was er niets aan de hand. Blume en Koolen, twee zelfbewuste, hip ogende jonge mannen (baard, bril), zien zichzelf, zoals steeds meer doven, als lid van een culturele minderheid, met eigen gewoonten en omgangsvormen, eigen kunstuitingen, eigen humor. En niet te vergeten: een eigen taal. Zij noemen zich Doof, met een hoofdletter D.

Blume somt de voordelen van gebarentaal op. „Iedereen kan het gebruiken, doven én horenden. Je kunt er op afstand mee communiceren, en door glas. En al zijn er varianten in elk land, je kunt er ook over de grens mee terecht.” Koolen: „Gebarentaal is wezenlijk anders dan gesproken taal omdat die visueel is. Als wij bijvoorbeeld een verhaal vertellen, of een mop, omschrijven wij de personages niet, maar we beelden ze uit, we spelen ze. Hetzelfde geldt voor voorwerpen. Voor een dove is het niet raar om een hockeybal uit te beelden die een klap tegen zijn kop krijgt.” Gebarentalen doen in complexiteit en uitdrukkingsmogelijkheden niet onder voor andere talen, blijkt uit taalkundig onderzoek. Ook al hebben doven het zelf graag quasi-spottend over ‘wapperen’, er wordt poëzie mee bedreven, film, theater, comedy.

De komst van een nieuw, high tech gehoorapparaat, het cochleair implantaat (CI), zo’n vijftien jaar geleden, werd in het begin dan ook door veel Doven als een kwalijke ontwikkeling gezien. Het operatief geplaatste apparaatje zet geluidssignalen om in elektrische pulsen, die rechtstreeks naar de gehoorzenuw worden gezonden. Waarom moeten wij ‘gerepareerd’ worden? zeiden tegenstanders. Wat is er mis met Doof zijn? Straks sterft de Dovencultuur uit, mét onze mooie gebarentaal.

Anderen zagen het CI als een gewone technologische ontwikkeling, in essentie niet verschillend van een gewoon gehoorapparaat. Intussen zijn de scherpe kantjes van de discussie af, maar er zijn nog altijd veel tegenstanders. Met name in de Verenigde Staten spreken militante Doven zelfs van ‘genocide’. Op de facebookpagina ‘Anti-Cochlear Implant for Deaf Children’ zijn bloederige cartoons te zien van kinderen die met geweld van hun Doofheid worden beroofd.

Wat houdt Doofheid in Nederland in? Wat zou er verloren kunnen gaan door het cochleair implantaat? En gebeurt dat?

Het trillen van de vloer

Op mijn reis door de Dovenwereld voel ik me als horende vaak de gehandicapte. Bij de rondleiding in het Van Abbemuseum probeert de tolk steeds discreet achter me te blijven terwijl ze Blumes gebaren voor me vertaalt, maar uit misplaatste beleefdheid draai ik me steeds naar haar om, bots tegen haar op en hinder de communicatie.

Doven zijn een volk. Een cultureel-linguïstische minderheid met een eigen identiteit, vergelijkbaar met de Turkse of Marokkaanse gemeenschap. Doven zelf, maar ook antropologen zien dat zo, al was het maar omdat doven trots zijn op hun taal en cultuur. Niet voor niets hebben doven van wie de ouders – of zelfs de grootouders – ook doof waren, meer aanzien in de dovengemeenschap dan eerstegeneratie-doven. Zo is het ineens te begrijpen waarom de dove moeder in de film La famille Bélier teleurgesteld was toen bij de geboorte van haar dochter bleek dat ze horend was.

Lange tijd waren doven een onderdrukte gemeenschap. Van 1880 tot ongeveer 1980 was in de hele westerse wereld het onderwijs aan dove kinderen gericht op leren spreken en liplezen (doven hebben het over ‘spraakafzien’). Gebarentalen waren taboe, die werden gezien als een inferieure vorm van communicatie. De afgelopen decennia hebben de doven zich ontdaan van het juk van het ‘oralisme’ en zijn in een rap tempo aan het emanciperen. Vooral in de Verenigde Staten hebben ‘Deaf Pride’ en ‘Deaf Power’ een hoge vlucht genomen. Zo was daar tijdens het afgelopen orkaanseizoen op televisie een dove gebarentolk te zien die de weerwaarschuwingen vertaalde van een horende collega, die buiten beeld bleef. Dove tolken gebaren beter dan horende omdat het hun eerste taal is, is de redenering.

Kijken doven ook anders dan horenden? In elk geval kijken ze veel béter en nemen ze dingen waar die horenden ontgaan. Bart Koolen: „Als ik aan mijn bureau zit te werken en achter me gaat de deur open, zie ik dat aan een lichtweerkaatsing in mijn computerscherm. En als mijn waterkoker afslaat, geeft dat een minieme flikkering van het elektrisch licht in huis. Dan weet ik dat het water kookt.”

Jascha Blume: „Wij woonden vroeger op drie hoog in een oud huis in Amsterdam. Als mijn moeder de voordeur binnenkwam, voelde ik dat aan het trillen van de vloer.” Zijn ouders zijn horend, vertelt hij, maar hij heeft een dove broer. Met hem samen vermaakte hij zich als kind op verjaardagen door de gezichten van de mensen te bestuderen en te fantaseren waar ze het over hadden. „Door veel te kijken naar ogen en gezichtsuitdrukkingen ontwikkel je de vaardigheid om emoties te lezen. Ik denk dat doven minder makkelijk te foppen zijn. Als iemand aardige dingen zegt bijvoorbeeld, maar in werkelijkheid afstand wil houden, hebben doven dat snel door.”

Denkbeeldige microfoon

Op een zonnige dag in juni houdt Dovenschap, de belangenvereniging voor doven in Nederland, zijn halfjaarlijkse ledenvergadering. Er zijn buiten mij nog enkele horenden bij, maar doofheid is de norm. Je begint een gesprek met gebaren. Zo kan het gebeuren dat een (horende) tolk in opleiding en ik elkaar voor doof houden, wat een vrij hulpeloze communicatie oplevert vanwege mijn minimale beheersing van de gebarentaal. Het gebaar voor ‘journalist’ ken ik: met een denkbeeldige microfoon in je hand heen en weer bewegen vanaf je kin. Zo stel ik me voor gedurende de dag. „Aha, dus jij bent hórend?” is steeds de reactie. Ik ben een vreemde diersoort.

Een van de agendapunten is de juridische erkenning van de Nederlandse Gebarentaal, iets waar Dovenschap al meer dan twintig jaar voor ijvert. Voor doven die geen NGT beheersen – omdat ze laatdoof of plotsdoof zijn, of omdat ze van een generatie zijn die geen gebaren geleerd heeft – is er een schrijftolk aanwezig, haar synchroon getypte zinnen verschijnen op een projectiescherm. Voor blinde doven zijn er vierhanden-tolken wier gebaren met de handen worden afgetast. Voor de horenden zijn er stemtolken die van NGT naar gesproken Nederlands vertalen. Wanneer een voorstel per acclamatie wordt aangenomen, klinkt er geen applaus, maar gaan de handen draaiend in de lucht. Als de pauze voorbij is, kucht er niemand in de microfoon (er is geen microfoon), maar stampt de voorzitter op de grond.

Erika Zeegers (55) is al ruim een kwart eeuw gebarentolk. In de jaren tachtig rolde ze de dovenwereld in toen ze op een school voor zeer moeilijk lerende kinderen een doof jongetje in de klas kreeg. Ze ging gebarentaal leren, kreeg les van de legendarische (dove) gebarendocent en -dichter Wim Emmerik en raakte gegrepen. „Dat er een groep mensen bestond, gewone Nederlanders, met hun eigen taal en cultuur, die ik helemaal niet kende, vond ik bizar en fascinerend.” De tolkenopleiding – Zeegers doceerde er tolkvaardigheden en ethiek – is nu een vierjarige hbo-studie aan de Hogeschool Utrecht, maar destijds was er alleen op zaterdag les en moesten studenten voor hun praktijkoefeningen zelf de dovenwereld in. „Doodeng in het begin. Ik zie me nog heen en weer lopen voor het gebouw van het Dovenontmoetingscentrum in Amsterdam. Aan de bar zaten allemaal mensen te gebaren, ik kende alleen het gebaar voor koffie. Ik voelde me héél klein.”

Nu is Zeegers degene die mij wijst op de do’s en don’ts in de omgang met doven. Bijvoorbeeld dat het voor doven, ook voor hen die goed spreken en liplezen, van groot belang is om een tolk bij zich te hebben tijdens een interview, om op voet van gelijkheid te kunnen communiceren. En dat het dan wel zo beleefd is om de tolkkosten op me te nemen. En ze legt me uit waarom de meeste doven moeite hebben met geschreven Nederlands: het is voor hen een dode taal, de woorden zijn niet zoals voor horenden gekoppeld aan klanken. En de grammatica is heel anders dan die van Nederlandse gebarentaal; die kent bijvoorbeeld geen lidwoorden. 

Als je Zeegers vraagt wat voor haar het meest typerend is van de dovencultuur, zegt ze noemt ze ‘directheid’. „Toen ik klein was, ging ik elke dag naar mijn oma, in een volksbuurt in Den Helder. Daar kwam iedereen achterom, er werd geroddeld, mensen hadden het hart op de tong maar er was warmte en aandacht voor elkaar. Datzelfde ervaar ik in de dovengemeenschap. Iedereen kent iedereen, het is net een dorp. Ze horen niks, maar de tamtam gaat nergens zo snel.”

Big Brother

Doven zijn directer. Je zou ook kunnen zeggen: horenden draaien om de hete brij heen. Eva Westerhoff (38), voorzitter van Dovenschap, heeft daar als dove aan moeten wennen. „Hoe begin je een gesprek met horende mensen die je niet kent, op een netwerkborrel bijvoorbeeld? Doven vallen met de deur in huis. Die vragen meteen: ‘Op welke school heb je gezeten? Ben je getrouwd? Heb je kinderen?’ Horenden doen dat niet, die praten eerst over het weer, of over de hapjes, en pas bij de tweede of derde ontmoeting kun je wat meer de diepte in. Door het realityprogramma Big Brother, dat ondertiteld was, zag ik voor het eerst hoe horende mensen communiceren. Ik was stomverbaasd. Ze praatten en praatten maar, over niks!”

Westerhoff kwam op haar derde uit Indonesië als adoptiekind naar Nederland. Dat ze niet sprak, kwam omdat ze de taal niet beheerste, dacht iedereen. Tot er een keer vuurwerk ontplofte op een meter afstand en ze niet schrok. Hoewel ze met horenden bij voorkeur via een tolk communiceert, heeft ze goed leren spreken en liplezen. Ondanks allerlei hobbels en teleurstellingen heeft ze haar weg gevonden in de horende maatschappij. Maar ze ziet zichzelf als Doof. Toen ze begin twintig was, heeft ze overwogen een CI te nemen, maar er uiteindelijk toch van afgezien. „Doofheid gaat bij je wezen horen, bij je identiteit. Het gebaren, het visueel ingesteld zijn in het algemeen, de manier waarop doven met elkaar omgaan, dat geef je niet zomaar op. Daarbij hou ik erg van de stilte.” Zo nu en dan vindt ze het jammer dat ze niet kan horen. „In de bus ben ik soms nieuwsgierig waar mensen het over hebben. En bij mij in de buurt woont een aardige oude dame die altijd een praatje met me begint, maar ik kan haar niet volgen.”

Het gekraak van een chipszak

Niet iedereen is geholpen met een cochleair implantaat (zo moet de gehoorzenuw intact zijn), en bij de één is het resultaat beter dan bij de ander. Feit is dat tegenwoordig vrijwel alle dove kinderen rond hun eerste verjaardag een CI krijgen. Voor de ouders (bijna altijd horend) een geruststelling, want hun kind zal gewoon leren communiceren in gesproken taal, ook al blijft het altijd slechthorend. Maar veel doven – in elk geval die met een hoofdletter D – baart het grote zorgen. Leren deze kinderen nog wel gebarentaal, krijgen ze de dovencultuur mee? Of kiezen ze voor de horende wereld, voor een horende identiteit? Met als gevolg dat ze eigenlijk nergens thuis zijn, en geen één taal goed beheersen?

Dat het CI intussen onderdeel van de Dovencultuur begint te worden, bewijst Olga Hammerschlag (50). Net als een handvol anderen op de bijeenkomst van Dovenschap draagt ze duidelijk zichtbaar een implantaat. Het lijkt op een gewoon gehoorapparaat, maar er zit een kabeltje aan met een knop die aan de schedel vastzit. Als ik haar aanspreek, maant ze: „Ho, rustig praten graag! Ik ben doof.” Terwijl haar gehoor onvoorstelbaar is toegenomen nadat ze vier jaar terug een CI kreeg, en ze nu in feite (slecht)horend is. Ze heeft geluk gehad, zegt ze. Ze kan zelfs telefoneren, iets wat voor lang niet alle CI-dragers is weggelegd. En ze hoort de poes de trap afkomen. Toch is ze nog steeds Doof; zo is ze bestuurslid van Stichting Welzijn Doven Rotterdam. Ze vertelt: „Ik ken CI-dragers die opeens kapsones kregen. Ik heb van te voren tegen mijn vrienden gezegd: Willen jullie erop letten dat ik niet verander? Waarschuw me als ik anders word.”

Wel of geen CI, dat moet ieders hoogst individuele keuze zijn, benadrukt ze. „Sommige doven zeggen dat ik mijn doofheid niet heb geaccepteerd, maar dat is onzin. Vaak dragen ze zelf een gewoon gehoorapparaat, een ‘oorhanger’ noemen wij die. Wat is het verschil? Vóór mijn CI hoorde ik – met oorhanger – auto’s en menselijke stemmen, dat vond ik altijd prettig, geruststellend. Ik vind geluiden gewoon leuk. Behalve het gekraak van een chipszak. Afgrijselijk.”

Hammerschlag maakt zich geen zorgen over de toekomst van de Dovencultuur, wel over het welzijn van kinderen die op jonge leeftijd een CI krijgen. „Een groot deel van hen zal opgroeien met een horende identiteit, met alle problemen van dien, want ze blijven slechthorend. Ik hoop maar dat ze later, als ze zich toch niet thuis voelen in de horende wereld, alsnog de dovencultuur ontdekken. ‘Hé, gebaren! Fantastisch, dat wil ik ook!’”